Paringssystemen
De
verschillende paringssystemen die men bij het fokken van konijnen
kan gebruiken, kunnen worden verdeeld in twee hoofdgroepen:
1. die welke
tot verhoogde homozygotie leiden.
2. die welke tot verhoogde heterozygotie leiden.
In het eerste
geval gaat het gewoonlijk om inteelt, in het tweede geval om
uitteelt, uitkruising en paring van ongelijksoortige dieren.
INTEELT
Er wordt algemeen
aangenomen, dat inteelt het paren van nauw verwante dieren is,
maar er bestaat minder eensgezindheid over wat nauwe verwantschap
is. Sommige fokkers zullen het woord inteelt alleen gebruiken voor
paringen van nakomeling x ouder, of volle broer x volle zuster,
Anderen zullen paringen tussen halfbroer x halfzuster of grootouder
x kleinkind erbij rekenen. Toepassingen van paringen tussen minder
nauw verwante dieren wordt gewoonlijk lijnteelt of familieteelt
genoemd. De juiste definitie van inteelt is overigens: het paren
van dieren die een nauwere verwantschap met elkaar hebben dan de
gemiddelde verwantschap binnen de populatie ( ras). Een deel van
de hoeveelheid genen in een ras is al gefixeerd, anders zou er
geen ras gevormd zijn. Dat betekent, dat alle dieren van dat ras
een aantal genen in tweevoud hebben, dat wil zeggen er homozygoot
voor zijn.Inteelt. noch enig ander foksysteem binnen een zuiver
ras zal deze genen beinvloeden. Op de genen waarvan alternatieve
allelen in het ras circuleren is het eerste effect van inteelt
het toenemen van de kans dat een ingeteeld dier hetzelfde allel
van vader en moeder erft en zo meer hornozygoot wordt. Hoe intensiever
de inteelt hoe homozygoter de nakomelingen.
INTEELT
EN SELECTIE
De fokker heeft echter
geen controle over welke allelen van welk gen homozygoot zullen
worden. Als het ene alternatief gewenst is en het andere niet,
dan hebben we evenveel kans om het ongewenste te krijgen als het
andere. De fokker hoopt natuurlijk dat het gewenste allel homozygoot
zal worden, maar voor een deel van het nest moet hij toch op een
teleurstelling zijn voorbereid.Er wordt algemeen aangenomen, dat
door inteelt dieren meer uniform worden, maar dat is een onjuiste
opvatting. Als we fokken met dieren met de genstructuur Aa en we
gaan intelen, dan vergroten we de kansen op zowel AA dieren als
aa dieren en dit zou een variabeler fenotype opleveren dan wanneer
we gebleven waren bij een populatie van Aa dieren. Als in de praktijk
het aa type ongewenst was, zou de fokker het uitschakelen en verder
werken met Aa en AA dieren, die niet van elkaar te onderscheiden
waren. Voortgezette inteelt en het uitselecteren van alle aa dieren
zou uiteindelijk leiden tot een stadium waarin alle dieren AA waren
en het gen zou daarmee in het ras gefixeerd zijn, Dit resultaat
wordt dus bereikt door inteelt en selectie samen en niet door inteelt
alleen.
ERFELIJKE
AFWIJKINGEN
Het is algemeen bekend,
dat inteelt vaak gepaard gaat met het optreden van genetische defecten
en dit gaat op voor alle diersoorten. Dit is een reden waarom religieuze
en burgerlijke wetten huwelijken tussen bepaalde nauwe verwanten
verbieden. Niettemin is de gedachte van sommige fokkers , dat inteelt
erfelijke afwijkingen en dergelijke veroorzaakt, onjuist. Heel
veel erfelijke afwijkingen zijn recessief van aard, in die zin
dat een dier van ieder ouder het gen moet ontvangen om het defect
te kunnen vertonen. Inteelt verhoogt de kans dat dit zal gebeuren.
maar het is van belang om zich te realiseren, dat als de ouderdieren
geen genen voor een bepaald defect hebben, dit defect nooit zal
optreden, hoe intensief we ook intelen. Bij konijnen zijn bepaalde
-schoonheidsfouten in aanleg recessief van aard, hoewel ze niet
noodzakelijkerwijs door één gen bepaald worden. Veel
van dergelijke eigenschappen komen min of meer regelmatig voor
en de genen die er verantwoordelijk voor zijn, worden in tal van
lijnen gevonden, zodat men niet bepaald hoeft in te telen om ze
aan het licht te brengen. Het punt bij inteelt is, dat het de kansen
vergroot om zulke problemen aan het licht te brengen als we niet
wisten dat ze aanwezig waren.
LETHALE
DEFECTEN
Dit vorige geldt
zeker voor de zeer zeldzame lethale (dodelijke) defecten, die tot
een verscheidenheid van wangedrochten leiden. Er wordt wel gezegd
dat ieder individu van iedere diersoort, met inbegrip van de mens,
drager is van tenminste één lethaal of semilethaal
gen dat, wanneer het samengaat met nog zo'n gen van een ander dier,
leidt tot één of andere dodelijke abnormaliteit.
Zulke gebeurtenissen zijn vrij zeldzaam, omdat we niet noodzakelijkerwijs
dieren paren met hetzelfde lethale gen en zelfs als dat wel gebeurt,
is er een goede kans, dat de nakomelingen niet hetzelfde gen erven
van ieder ouder.Bij inteelt nemen de kansen dat zulke lethale factoren
aan het licht treden toe en dit staat in een direct verband met
de intensiteit van de toegepaste inteelt. Veronderstel bijvoorbeeld
dat het allel b, dat de bruine kleur veroorzaakt, echt dodelijk
is en dat bij een groep konijnenfokkers bb dieren, die bij de geboorte
of kort daarna sterven, met een frequentie van 1 procent voorkomen.
Er kan worden berekend dat binnen deze groep van konijnenfokkers
waar 1 procent van de dieren bb is, dan 8 1 % van de dieren BB
en 18% Bb is. Als die bepaalde groep fokkers plotseling zou besluiten
om een politiek van broer- zusterparingen te gaan volgen, dan zou
in de eerste aldus gefokte generatie de frequentie van bb dieren
stijgen tot 3,25%, terwijl het aantal BB dieren zou toenemen tot
83,25% en het aantal Bb dieren zou verminderen tot 13,25 procent.
Omdat BB en Bb dieren uiterlijk niet van elkaar te onderscheiden
zijn zouden de fokkers de afname van het aantal heterozygoten niet
opmerken, maar zij zouden wel de drievoudige toename zien van het
aantal bruine pups dat al jong sterft. Voortgezette inteelt met
BB en Bb dieren zou bb dieren blijven opleveren, maar in afnemende
mate en uiteindelijk zouden er waarschijnlijk alleen nog BB dieren
zijn. Ik suggereer niet dat fokkers met een probleem op dit vlak
dan maar een inteeltprogramma moeten volgen, maar het laat zien
wat er kan gebeuren als men inteelt onderneemt.
LEVENSVATBAARHEID
De fundamentele moeilijkheid
met inteelt is niet het aan het licht brengen van sommige abnormaliteiten
en defecten, maar het in genetisch opzicht ergere aspect, dat we
door de mate van homozygotie te vergroten, we wellicht de algemene
levensvatbaarheid van het dier kunnen verminderen.
HOMEOSTASE
Bij een ras waarbinnen
al vele jaren geselecteerd is, zullen de fokkers er wel in geslaagd
zijn om bepaalde combinaties van genen bijeen te brengen, die tot
gewenste resultaten leiden. Als deze genencombinaties worden verstoord,
kunnen de gevolgen schadelijk of neutraal zijn en inteelt zal waarschijnlijk
zo'n verstoring veroorzaken.
Wetenschappelijke
proeven hebben uitgewezen, dat dieren een zekere mate van heterozygotie
nodig hebben, willen ze in staat zijn zich goed aan te passen
aan de verschillende milieu invloeden waaraan ze blootgesteld
kunnen worden. Het vermogen van een populatie om zijn genetische
samenstelling in evenwicht te houden en om plotselinge veranderingen
te weerstaan noemt men homeostase. Het schijnt dat selectieve
veranderingen die gericht zijn op een toename van de homozygotie,
waarvan inteelt het voornaamste instrument is, op vele manieren
door het organisme worden weerstaan. Dit kan op velerlei wijze
tot uiting komen, die echter allen neigen in de richting van
verminderde levensvatbaarheid, waardoor het meer homozygote dier
uit een oogpunt van selectie in het nadeel is ten opzichte van
zijn heterozygote leeftijdsgenoot. Bij enkele experimenten waarbij
met kleine dieren gedurende vele generaties inteelt werd bedreven,
totdat inteelt uitzonderlijk hoog was en de genetische variantie
minimaal moest zijn, werd gevonden, dat de genetische variatie,
zoals die was af te meten aan bloedgroepen en dergelijke, nog
steeds groot was. Dit gebrek aan overeenstemming tussen de theoretische
verwachting en de werkelijkheid suggereert, dat het organisme
zelf zich verzet tegen inteelt tot een hoog niveau en dat de
werkelijke mate van homozygotie geringer zal zijn, dan verwacht
wordt op grond van de mate van inteelt. Of dit zo is. omdat de
sterkst ingeteelde dieren het vroeg- embryonale stadium niet
overleven, dan wel om een andere reden, valt niet te zeggen.
GEVOLGEN
VAN INTEELT.
Doorgedreven inteelt
bij konijnen (evenals bij andere soorten) kan leiden tot
- een afname
van de worpgrootte
- een toename van het aantal doodgeboren jongen
- een toename van de verliezen voor het spenen
- iets lagere geboortegewichten en daarmee corresponderende afname van de groei
na het spenen
- verhoogde steriliteit bij voedsters
- verminderde vruchtbaarheid bij rammen
- een grotere vatbaarheid voor ziekten ten gevolge van een slechtere aanpassing
aan omgevingsinvloeden.
KENNIS
VAN ZAKEN
Na het lezen van
het voorgaande kan de lezer het gevoel hebben, dat er geen plaats
is voor inteelt, omdat de toepassing ervan tot vele problemen zou
leiden. De sportfokker van konijnen heeft echter niet dezelfde
doelstellingen als de commerciële veehouder en heeft volop
gelegenheid om selectief te zijn waar de industrie, gebonden door
opbrengst en winstbejag, dat niet heeft. In de beginfase van een
ras is inteelt bijna een vereiste, als er een snelle evolutie moet
zijn van een specifiek type. Lijnteelt is niet meer dan een wat
minder intensieve vorm van inteelt en daarover bestaat het gezegde:
'Heeft u slechte resultaten, geef de schuld aan inteelt, heeft
u goede resultaten, prijs dan de lijnenteelt. Inteelt zal bepaalde
genen in tweevoud doen samenkomen en de fokker heeft niet in de
hand welke genen dat zullen zijn. Hoe beter zijn fokdieren - qua
lichaamsbouw en karakter - des te beter zijn de kansen op succesvolle
inteelt.
Als u een voedster
heeft met een goed koptype en ze is de kleindochter van een goed
konijn met een uitmuntende kop en van hetzelfde type als de voedster
in kwestie, dan is het niet onverstandig haar te paren met een
verwant van die grootvader, mits de ram die gekozen wordt ook
een fraaie kop heeft en een behoorlijke gelijkenis vertoont met
die grootvader in kwestie. Ook kan overwogen worden om met die
grootvader een paring tot stand te brengen maar voor het nemen
van dergelijke beslissingen moet men behoorlijk met het ras vertrouwd
zijn, een grondige kennis hebben van de raspunten en voldoende
basiskennis van de erfelijkheidsaspecten, die hierbij een rol
spelen. In het bovenstaande voorbeeld heb ik alleen over het
koptype gesproken, maar natuurlijk fokt de verstandige fokker
niet slechts op één eigenschap. Men moet het dier
in zijn geheel beschouwen en het zou zinloos zijn om op een goede
kop te fokken en het verdere type, het beendergestel, de pels
of alle andere belangrijke faktoren te negeren, al betekent dat
niet altijd, dat al deze factoren even zwaar beoordeeld moeten
worden. Als uw fokdieren al een goede pels of beendergestel hebben,
kunt u zich in een bepaald geval misschien veroorloven om hier
wat minder gewicht aan toe te kennen.
DOORGAANDE
SELECTIE
Wat men bi j een
inteeltprogramma niet moet vergeten, is dat men bij iedere generatie
niet in een andere richting moet gaan werken.
Als u inteelt
toepaste met als hoofddoel de verbetering van het koptype, dan
is het essentieel om voor voortgezette fokkerij de dieren met
de beste koppen uit het inteeltnest te selecteren. Het heeft
geen zin om een ander dier te kiezen enkel en alleen omdat het
betere vooruitzichten voor tentoonstellingen lijkt te hebben,
hoewel de kop niet correct is. Evenzo moet een inteeltprogramma
gepaard gaan met een rigoureuze selectie. Hoe meer u van uw fokdieren
weet, hoe minder risico's u loopt, maar toch zullen er gewoonlijk
enkele defecten aan de oppervlakte komen. Hoe beter de fokdieren,
hoe sterker het motief voor inteelt en iedere konijnenfokker
zou er verstandig aan doen om op een bepaald moment enige mate
van inteelt (en selectie) in overweging te nemen. Dit geldt in
het bijzonder als men een dier heeft dat al bewezen heeft een
voortreffelijke voedster of dekram te z i in. Als het dier eenmaal
sterft, zal zijn invloed bij iedere generatie gehalveerd worden,
totdat deze geheel verdwenen is. Ermee intelen als het dier nog
leeft, zal helpen om een sterkere concentratie van genen te waarborgen,
waarop in een later stadium kan worden voortgebouwd. Het kan
zeker helpen om de invloed van dat dier na zijn dood op een hoger
niveau te houden dan zonder inteelt het geval zou zijn geweest.
UITTEELT
Uitteelt is de paring
van dieren, die minder aan elkaar verwant zijn dan het gemiddelde
van de populatie waartoe ze behoren. In zijn meest extreme vorm
brengt uitteelt de kruising van verschillende diersoorten met zich
mee (bijvoorbeeld de produktie van muildieren) en in wat mindere
mate de kruising van verschillende rassen, wat veelvuldig wordt
toegepast in de fokkerij van schapen, varkens, runderen en
nutkoni jnen. De sportfokker van raskonijnen moet per definitie een zuiver
ras fokken, zodat de bespreking van de meer extreme vormen van uitteelt hier
geen zin heeft. Alle uitteelt berust op de veronderstelling dat gunstige allelen
wel dominant zullen zijn over ongunstige factoren en dat er een zekere waarde
schuilt in heterozygotie. Het verschijnsel van inteeltdepressie wordt bij uitteeltsystemen
omgekeerd, zodanig dat de nakomelingen het gemiddelde van de prestaties van
beide ouders kunnen overtreffen of zelfs beter kunnen zijn dan de prestaties
van de beste ouder. Gewoonlijk is er een toename van de levensvatbaarheid en
dit manifesteert zich meestal duidelijker naarmate de verschillen tussen de
ouderdieren groter z i jn. Dit verschijnsel noemt men heterosis of bastaardkracht.
Het optreden van heterosis is heel gewoon bij raskruisingen, maar kan minimaal
of zelfs niet aanwezig zijn als niet verwante dieren van hetzelfde ras worden
gekruist
UITKRUISING
Een uitkruising is
de paring van niet verwante dieren, waarvan één of
beide afkomstig zijn uit inteelt. De meeste fokkers, die een inteeltprogramma
hebben gevolgd, nemen op een bepaald moment hun toevlucht tot uitkruising.
Meestal besluiten zij daartoe omdat één of andere
ongewense eigenschap bij hun fokmateriaal vastgezet leek te zijn
en de uitkruising wordt dan gebruikt om deze eigenchap weer kwijt
te geraken. Bij een uitkruising moet de fokker er zich van bewust
zijn dat zijn ingeteelde dieren voor veel kenmerken homozygoot
zijn en dat in de eerste generatie na een uitkruising deze homozygotie
grotendeels verloren is gegaan. Dit geldt niet alleen voor de ongewenste
eigenschappen, maar ook voor de kenmerken waarop zorgvuldig is
geselecteerd. Het is dus duidelijk dat een onverstandig gebruik
van uitkruising de verworvenheden van generaties lange inteelt
kan vernietigen.
RESULTATEN
Soms lijkt het alsof
een uitkruising wat betreft het corrigeren van fouten niet veel
effect heeft gehad. Sommige fokkers nemen aan dat dit erop wijst,
dat binnen de fokkerij zo sterk was ingeteeld dat uitkruising niet
meer mogelijk was, maar als argument legt dit niet echt gewicht
in de schaal. Een meer waarschijnlijke reden is, dat de voor het
uitkruisen gekozen dekram niet zo goed was als zijn uiterlijk deed
vermoeden. Aan de andere kant kan het resultaat zo geweldig zijn,
dat de fokker in de verleiding komt om zijn voorgaande beleid te
wijzigen. Dit is in het verleden in verscheidene fokkerijen gebeurd,
maar zoiets is gewoonlijk tot falen gedoemd. Het omgooien van een
middelmatig succesvol inteeltbeleid op grond van een schitterend
nest uitgekruiste dieren, betekent dat men van een beproefd systeem
overstapt naar een gokspel