Fokken met Polen en Kleurdwergen

Het is moeilijk
fokken met echte dwergen. De dieren zijn klein, een volwassen voedster
weegt soms nauwelijks 900 gr en dat komt de vruchtbaarheid niet
ten goede. De nestjes zijn dan ook klein, 1 tot 4 jongen is de
regel. Voeg hierbij het probleem van de dwergfactor en de voorplanting
komt in een heel ander daglicht te staan.
Wat is
de dwergfactor?De dwergfactor is
een lethale (dodelijke factor). Dit wil zeggen, als het konijn
deze factor van beide ouders erft, het dier bij geboorte de helft
kleiner is dan zijn normale broer of zusje en bovendien niet levensvatbaar.
Deze diertjes worden in het Engels "peanuts" genoemd en blijven
hooguit 3 dagen in leven.Nu is deze dwergfactor
belangrijk, want hij zorgt voor het typische uiterlijk van onze
dwerg. De extreem ronde kop en het zeer lage gewicht om er maar
twee te noemen.
De dwergfactor
is dus nodig, maar hij mag slechts van één ouder worden
geerfd. Over de hele populatie dwergen gezien, zullen er 25% "peanuts" voorkomen,
50% echte dwergen , maar ook 25% zo genoemde "valse dwergen". Dit
zijn dwergen , die van geen van beide ouders de dwergfactor geerfd
hebben.Deze konijnen ziet
men niet op tentoonstellingen. Ze missen het typische uiterlijk
van de tentoonstellingsdwerg. De kop mist de ronde vorm en het
gewicht wordt aanzienlijk hoger. Deze dieren bereiken vlot de 1300
gram en zullen daarom steeds een weg vinden naar de dierenwinkels.
Voor de tentoonstellingsfokker zijn ze niet bruikbaar.Hoewel....
Sommige fokkers
verkiezen het fokken met voedsters die tot deze laatste groep
behoren. Het resultaat blijft eigenlijk hetzelde.Fokt men met
deze dieren dan zullen er in de te verwachten nesten geen "peanuts" meer
voorkomen en is de populatie verdeeld in 50% echte en 50% valse
dwergen.Kiest men voedsters
uit deze groep, dan moet men er toch voor waken dat het gebruikte
dier, hoewel groter, mooie verhoudingen heeft.Want.....Selecteren is de kunst
van de dwergenfokker. De typische dwergenkop, zeer bol met korte
oortjes van maximaal 6 cm ( en bij echte kwaliteit niet boven de
5,5 cm), is eigenlijk een afwijking. En vermits de natuur zichzelf
steeds wil corrigeren, komt de normalere konijnenkop er maar steeds
weer tussendoor. Selecteren is dus steeds de boodschap wil men
dit ras echt behouden. De beginnende fokker kan zich baseren op
bestaande tabellen van gewicht en oorlengte, maar hij moet er een
oog voor ontwikkelen. Slechte achterhand, type te lang of te grof,
fouten in de bouw, vroeg onderkennen en uitsluiten voor de fok.Een groot probleem
bij de dwergen vormen de tanden. Door de veranderde kopvorm kan
het gebeuren dat de tanden elkaar niet meer of nauwelijks nog raken.
Konijnentanden blijven steeds doorgroeien en kunnen slechts kort
blijven door wrijving van onderste en bovenste tanden. Is dit contact
er niet meer dan ontstaan olifantstanden Een dier met dergelijke
tanden kan niet in leven blijven , omdat het niet meer kan eten.Wil een konijn olifantstanden
krijgen dan moeten beide ouders drager zijn van de factor .Dit is niet het geval
met een andere geregeld opduikende afwijking, nl de "MAXFACTOR"
Het volstaat dat een van de ouders drager is van deze afwijking
opdat het konijn deze aandoening kan erven. Maxfactor?De konijnen geboren
met deze afwijking sterven meestal. Hoewel het heel goed mogelijk
is dat ze mits verzorging enkele maanden in leven blijvenDe jongen worden
met de ogen open geboren (wat altijd aanleiding geeft tot chronische
oogontstekingen) en hebben misvormingen van de achterste ledematen.
De achterpootjes zijn zeer kort en het diertje, zo het blijft leven,
kan nooit normaal lopen.Dieren die drager
zijn van de maxfactor (genoemd naar de stamvader MAX, een zeer
mooi Amerikaans fokdier) zijn wel hele mooie dieren. Vandaar natuurlijk.
De drang om met een dergelijk dier te fokken is groot en de afwijking
blijft zich op deze manier uitbreiden.Voornaamste verschillen
met het fokken van andere rassen
Een dwergenfokker
moet vooral veel geduld hebben. Hij moet ook meer dieren hebben
wil hij toch vlug enig resultaat bereiken. Globaal gerekend mag
men stellen dat slechts 20% van de gefokte dieren, goede, dit wil
zeggen, tentoonstellingsdieren zijn.
Waar het met bijv.
met Vlaamse reuzen zou volstaan te fokken met een drietal voedsters,
moet men toch rekenen dat een 10 tal voedsters per kleur bij de
dwergen geen overbodige luxe is.